Ik ben geboren op een dag in mei in de wereld, maar de wereld was nog niet klaar. Ik gleed er gemakshalve doorheen zonder me ergens aan te verbinden of verstrengeld te raken. Het was alsof ik niet zozeer geen talent voor verbinding had, alswel alsof de schikgodinnen een moment hadden uitgekozen waarop ze me, hard en helder, me mijn lotsbestemming aan zouden wijzen. Tot die tijd was ik gedoemd door te modderen.
Niet dat ik er niet van genoot, integendeel! Ik was blij met alle autotjes en uitstapjes die ik kreeg.
Als man lag er veel voor me in het verschiet en ik ontwikkelde me van jongs af aan als iemand die voorbestemd was het goede te doen en het kwade te laten, althans, dat was de verwachting, al werd ik al die tijd niet een keer op de proef gesteld.
En wie niet op de proef wordt gesteld eindigt uiteindelijk als nietsnut in een cafe ergens tegen een hoek aangeplakt met een doodgeslagen biertje in zijn hand.
Tegen mijn dertigste jaar wist ik niet zo goed of ik een nietsnut was of iets anders, iets ongrijpbaars dat zich binnen in mij woelde totdat het juiste ogenblik aanbrak om naar buiten te treden. Een ogenblik waar ik geen zeggenschap over had.
Mijn vader heeft gevraagd of ik de zaak kan overnemen, maar ik heb nog nooit een schaar vastgehouden.